De koffietafel

De foto’s van de vliegavonturen worden gedeeld met de rolpensclub. Grote koffiepartij: Weber, Baasje, Bussy en van Tienhoven. Tienhoven wil met alle geweld mijn vliegfoto’s en tekeningen zien. Weber zit hardop te grinniken en doet malle verhalen van Treub die maar niet trouwen wou.

Vanaf dat Tera in het museum werkt wordt er gekoffietafeld. De koffie, of de koffietafel is in die tijd de lunch die om ongeveer twaalf uur gebruikt wordt. In het restaurant van Artis drinkt men koffie, eet een broodje en gebruikt een kopje soep. Voor zover ik heb kunnen nagaan is dat restaurant gevestigd in hetzelfde pand waar nu restaurant de Plantage gevestigd is, maar helemaal zeker weet ik dat niet. Die koffietafel wordt een fenomeen, iedereen die ook maar iets te doen heeft met Artis, het museum of de biologiestudie komt met regelmaat koffie drinken.

Op 1 september 1921 bijvoorbeeld: Weber in Amsterdam gaan opzoeken. Eerst een hele tijd met Beaufort staan kletsen, die als een braaf baasje de hele vakantie doorgewerkt heeft. Van alles moeten vertellen. …. Na een heel gesprek met mevr. Kerbert terug naar ’t museum waar weldra mevr. Weber aankwam. Geweldig zitten redeneren, voortzetting aan de koffietafel en gelachen!! Na de koffie met mevr. W de paardjes gevoerd, en haar toen op de tram gezet. Nog wat nageboomd met Max en baasje.

Een paar maanden later wordt er een stamgastenboek geïntroduceerd : Aan de koffie een stamgastenboek ingewijd van de lunchtafel, waarin alle zoölogen moeten tekenen. “Max Weber, oudste stamgast” bovenaan. Het geheel heet: bijdragen tot de Dierkunde. Weber vertelt allemaal verhalen uit de oude tijd van Artis en zijn eerste lectoraat en professoraat jaren “Ils sont passés ces jours de fêtes”.

De vaste kern van de koffietafel wordt ergens in 1922 omgedoopt tot “de Rolpensclub”. Hier gebeurt de studentikoze onzin, de grapjes, de gedichten.

Vaste leden van de club zijn in ieder geval Jan de Jong, student biologie; Non Scheffer, vriendin van Tera en nichtje van Johanna Westerdijk;  Hans Bierens de Haan; Lieven de Beaufort; Weber als hij in de stad is; Atie Vorstman en Bussy.

Dr. L.P. (Cosquino) de Bussy (1879-1943) is directeur van het handelsmuseum van het koloniaal instituut, waar Bierens de Haan ook werkt. Hij is bioloog en voornamelijk entomoloog (insectenkunde).. Hij is vooral gespecialiseerd in tropische cultuur. Hij heeft jaren in Indië aan Lands Plantentuin gewerkt. In 1925 zal hij hoogleraar worden in Utrecht

In 1921 schrijft Tera al een gedicht voor Max Weber. Weber, jarig op 5 december kan sinterklaasgedichten verwachten als cadeau:

Bij een vele malen levensgrote Coccinella (lieveheersbeestje) van chocola:

 

Wanneer professor in ’t seizoen

Op kevertjes gaat jagen

En hen vervolgt met pot en net

Op klopjacht vele dagen

Dan vallen zij beduusd ten prooi, en men ontdekt ook weldra

Een menigte een heel zooi, van rode Coccinella

 

In Eerbeek is ’t een hele toer

Om ’t al weer uit te zoeken

De tafel van de prof ligt vol

Met buisjes, kevers, boeken

Gefluisterd wordt een stille zucht, het lijkt hier haast een hel ja,

’k wou dat ‘k ze nooit gevangen had, die lamme Coccinella

 

Op vleuglen van de noordenwind

Die zich niet legt aan banden

Wordt deze klacht getransporteerd

Naar Spaanse binnenlanden

Zij treft Sint Niklaas waakzaam oor, Hij roept Gij moest u schamen!

Maar dan: ik zal u helpen hoor, want wij verjaren samen

 

Sint Nicolaas gaat welgemoed

Aan ’t experimenteren

Voorstander der mutatieleer

Kan men veel van hem leren

Zijn grote keverkwekerij levert giga Coccinellen

Dat ’s beter dan dat kleine grut, dat zo lastig is te tellen

Weber doet andersom mee aan de ongein en de sinterklaasgedichten: Weber stuurt mij een groot pakket met een Nautulus gevuld met bonbons en daartussen een beursje! Benthemia Beursigera. Ik heb hem een uitvoerige diagnose van de nieuw soort teruggestuurd.

Tera wordt gezien en beschouwd als het stralend middelpunt, “de secretaresse van de Rolpensclub” zoals Weber haar gaat noemen. Met verjaardagen sturen ze elkaar telegrammen op rijm en bloemen, er wordt gefuifd op vruchten aan tafel.

Zoals op 23 maart 1924: als De Beaufort jarig is: Baasje jarig, Bierens de Haan zendt telegram, namens de rolpensclub. De volgende dag is De Beaufort weer present: De Beaufort brengt grote Deventerkoek mee voor de thee en fuift aan de koffie op sinaasappels.

Als een aantal leden van de club samen op studiereis gaan sturen ze een mooie ansichtkaart Vooral de adressering is interessant. Dat komt vanuit Frankrijk gewoon aan in 1924.

Ook als Tera later in Indië zit wordt ze door de rolpensclub niet vergeten: Mijn verjaardag was erg gezellig, het begon al om 6 uur ’s morgens toen er een enorme bos met witte orchideeën als geschenk van de koffietafel werd bezorgd. Reusachtig aardig van de Amsterdammers.

 Tot aan het begin van de Tweede Wereldoorlog blijft de Rolpensclub in bedrijf.

Het laatste dat ik er over vond was een gedicht van Bierens de Haan geschreven op 25 maart 1939

Toen Adam ’t Paradijs verloor

Moest hij zelf gaan ploegen en eggen

Maar Tera’s enigste bezigheid hier

Is zout op slakjes leggen.

Tot zover deze studentikoze ongein, volgende keer nog meer studentenuitspattingen; een studiereis naar Helgoland.

1 reactie op “De koffietafel”

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Meer informatie over hoe uw reactiegegevens worden verwerkt.