Buitenzorg

Na haar eerste schreden op Indische bodem moet Tera nu echt aan het werk.

Ze begint met haar werk aan het Zoölogisch Museum (zie afbeelding hieronder) in de Plantentuin, dat in haar ogen wel veel beter kan, maar ze vindt het al te eigenwijs om direct in haar eerste week adviezen voor verbetering te geven.

De 4de maart begon het werk in het museum. Ik heb een zaalvormige kamer. Mijn kleine hokje in Amsterdam is zowat een zesde ervan. Verder kreeg ik een jongen toebedeeld die Sonep heet en gelukkig een beetje Hollands verstaat. Nu zit ik alweer bedolven onder de schelpen en dat geeft een heel vertrouwd gevoel. ’t Werk is zowat hetzelfde als in Amsterdam alleen ben ik hier natuurlijk alleen conservator en niet wat de Beaufort altijd noemt 1ste officier aan boord, omdat ik daar ook de hele gang van zaken in het museum wist. Dit doet hier Dammerman geheel zelf, en daar hij in een andere vleugel van het gebouw huist, merken Lieftinck en ik betrekkelijk weinig van hem, tenzij hij naar ons of wij naar hem toestappen. Er zijn allerlei dingen die wel praktischer ingericht zouden kunnen zijn: etiketten, glaswerk, dichtmakers van flessen e.d. maar ik kan niet dadelijk over verandering adviseren, dat is natuurlijk veel te eigenwijs. Omgekeerd zijn hier ook wel handige bedenksels, die voornamelijk het doel hebben vocht en roest te weren. Want wat schimmelen kan beschimmelt en de rest verroest. ’t Is een vochtig oord. Wel veel koeler dan Batavia vooral ’s avonds.

De sectie ongewervelde dieren waar ze verantwoordelijk voor wordt is naar haar eigen zeggen wel een rommeltje, maar ze denkt ook dat ze daar in een jaar tijd wel een goed geheel van kan maken. Er is een boel te doen in het museum want de ongewervelde dieren zijn zeer verwaarloosd, enfin vuile rommeltjes ben ik gewend. ’t Museum is klein, veel kleiner dan Amsterdam, ik krijg in dat jaar dat ik hier blijf die ongewervelden denkelijk gemakkelijk klaar. Met klaar bedoelt ze systematisch op naam gebracht, geëtiketteerd, opgeborgen en beschreven. Dat ze er een jaar over zal doen, blijkt optimistisch, ook omdat ze regelmatig nieuwe schelpen en slakken mee naar het museum zal nemen

In Indië zijn al enkele bekenden van haar. Karel Boedijn (1893-1964) heeft tegelijk met Tera in Amsterdam gestudeerd. Hij is botanicus en gespecialiseerd in schimmels. Hij is in 1925 naar Indië vertrokken en werkt sinds 1928 bij ’s Lands Plantentuin. Karel, ook Ka genoemd is getrouwd met Ans. Ook Maus (Maurits) Lieftinck (1904-1985) kent Tera al vanuit Amsterdam. Maus werkt ook bij het Zoölogisch Museum, hij is voornamelijk geïnteresseerd in insecten. Hij is ook degene die Tera wegwijs maakt.

Jan de Jong (1895-1972) is een zoöloog die ze ook al kent uit Amsterdam. Ze werkte met hem samen in het Naardermeerproject en na zijn promotie in 1925 was het Tera die samen met Non Scheffer voor de gedichten en liedjes zorgde. Tenslotte is er ook nog Betje Polak (1901-1980), die eveneens samen met Tera aan het in kaart brengen van de Naardermeer heeft gewerkt. Betje heeft ook in Amsterdam gestudeerd en is in 1929 gepromoveerd en daarna naar Indië vertrokken. Betje is geologe en botanicus en doet vooral onderzoek naar het ontstaan van en de samenstelling van veen. Met al deze mensen gaat ze om, ze rijsttafelen, gaan naar voorstellingen en op excursies. Het zijn ook, anders dan in Amsterdam meer mensen van Tera’s eigen leeftijd.  

Naast het werk moet er eerst een en ander worden geregeld. Haar financiën; ze krijgt een traktement van fl. 500,- per maand (netto). Vader schrijft: Je maandelijkse traktement bedraagt dus, zoals ge verwachtte f 500,- en zonder enige korting, wat dan ook wel mag, omdat ge hier tijdens je verlof, 15 ½ % moet betalen van je traktement, dat ge niet geniet, daar de gemeente A’dam van het beginsel uitgaat dat ze niets wil toeleggen voor een non-actief ambtenaar op de bijdrage aan het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, welke bijdrage 15 ½ % van elk traktement bedraagt, doch waarvan de gemeente voor actieve ambtenaren 8 % voor haar rekening neemt.

Ook in 1930 waren de ambtelijke regels al ondoorgrondelijk. Volgens het CBS komt een traktement van fl. 500 in 1930 overeen met ca. € 4500 in hedendaagse valuta. Vergelijken van geld en waarde over langere tijd blijft echter altijd een ingewikkelde zaak. Huisvesting en arbeid waren in 1930 beduidend goedkoper, textiel en levensmiddelen dan weer duurder. Tera vindt het leven in Buitenzorg in ieder geval aan de prijzige kant:  Buitenzorg is heel duur, een brood kost 30 cent, een glas kwast in een restaurant 60 cent! Het lidmaatschap van het zwembad f. 2,50 per maand! Aangezien dit echter een frisse en gezonde bezigheid is heb ik het maar aangenomen. ’t Is een militaire zweminrichting, maar zij mag ook door civiele personen gebruikt worden.

Een snelle internetzoektocht  maakt het aannemelijk dat in 1930 een brood in Indië inderdaad bijna twee keer duurder is dan in Nederland, het meel of het graan moest natuurlijk geïmporteerd worden..

Aangezien Tera een jaar zal blijven moet er ook voor onderdak gezorgd worden. In eerste instantie logeert ze bij Dammerman maar dat kan niet zo blijven natuurlijk: Met mevrouw Dammerman heb ik een uitvoerige bespreking gehad over mijn definitieve behuizing. In mei gaat Doctors van Leeuwen naar Holland voor 8 maanden. Zijn schoonzuster blijft echter hier. Nu moet volgens de regelen der kunst Dammerman zolang in dat huis wonen, dat een dienstwoning is, maar daar hebben ze niets geen trek in , omdat ze zelf een heerlijk huis hebben. Hij mag het wel verhuren en nu zou het zo geregeld kunnen worden dat Boedijn en vrouw en kind en ik samen het hoofdgebouw bewonen en mej. Reijnvaan het paviljoen. De Boedijns moeten toch verhuizen en willen best 8 maanden in van Leeuwens huis trekken en daarna pas naar een blijvende woning uitzien. Zij zouden dan de reeks kamers rechts van de binnengalerij krijgen en ik links bestaande uit zitkamer en slaapkamer en een soort kofferkamer. De juiste situatie moet ik nog eens gaan opnemen, de onderhandelingen zijn nog niet afgelopen!

Dan ben ik dus een soort Paying Guest bij hun a raison van 175 per maand , mevrouw Boedijn doet dan huishouden voor ons drietjes (het is mogelijk dat mej. Reijnvaan met ons mee-eet) en dan ben ik van alle soesa van huishouden en bedienden af. ’t Lijkt me wel aanlokkelijk. Ook al omdat ik dan vlak bij het museum woon en in de tuin kan zitten zoveel ik wil. Maar, zoals gezegd, dit is nog niet in kruiken en kannen en ik zal goed uit mijn ogen kijken, dat ik geen domme afspraken maak. De overige weken, plusminus 6 weken voor van Leeuwens vertrek en 6 na zijn terugkomst moet ik dan in een hotel wonen, hetzij hotel Bellevue, hetzij hotel Dibbets, beide nogal duur.

En zo wordt uiteindelijk ook afgesproken, maar eerst dus zes weken naar een hotel;

.Sedert 1 april zit ik nu in hotel Dibbets (zie plaatje). Ik ben nu maar eens flink aan het werk gegaan. Verder zwemmen op donderdag, vrijdag en zaterdag van iedere week (de eerste drie dagen per week is het voor militairen) en heel vaak komen de Jong of Betje Polak of To  R. of Lieftinck een praatje houden.

D. van der Goot (neef van Holstijn) woont er ook, en verder een jongmens Hagen, 3de hortulanus aan de tuin. Overigens vele loslopende jongelui en dames-onderwijzeressen. De eetzaal is een idioot gezicht met al die eenmanstafeltjes. Ik heb nu ook een baboe, genaamd Ini, met wie ik een wonderlijk soort taal pleeg te spreken. Dat gaat iedere dag beter en ze doet erg haar best om mij te begrijpen. Het is roerend hoe toegewijd die mensen zijn. Ze naait en stopt netjes en doet ook boodschappen en verder is ze er natuurlijk voor wassen, strijken en de kamer schoonhouden.

Dat geregeld hebbend kan ze er met de paasdagen op uit, naar Bandung om kennissen te bezoeken. Op prinsesjes verjaardag 30 april,  kan ze  met alle ambtenaren naar het feest op het paleis van de Gouverneur Generaal: Tegen 9 uur ’s avonds kwamen Dr. Dammerman en mevrouw met Lieftinck mij ophalen voor de receptie op ’t paleis. Hele wagenvrachten mensen werden er afgeladen en door talrijke zalen met portretten van vorige G.G.’s kwamen we in de ontvangstzaal, waar reeds vele gasten zijn verzameld. Het is een langwerpige zaal, marmeren vloer en witte pilaren, met banken en stoelen langs de wanden en versierd met palmen. Die pilaren waren blijkbaar voor de gelegenheid extra wit gekalkt, zodat menig heer op zijn zwarte rok fris gepoederd was! (..) . Er is niet overmatig veel gezelschap, in hoofdzaak het hele dorp Buitenzorg. Ik had gedacht dat ook hoge omes uit Batavia en Bandung zouden komen, maar dit was niet zo. Wel de regent en de Raden Ajoe en nog wat inlandse deftigheden. ’t Meeste waren oudere lieden, zodat er betrekkelijk weinig gedanst werd. Ik had er toch nog vrij wat kornuiten, behalve Lieftinck o.a. Voute, Koolhaas en vrouw, Bezemer, To Reijnvaan en ik heb braaf meegedanst. ’t Was wel “voornaam”, heel wat anders dan dat gehos en gevlieg aan boord. Ook geen lelijke Jazzband muziek.

In de volgende blog nog meer Indische avonturen.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Meer informatie over hoe uw reactiegegevens worden verwerkt.