Crisis

In de vorige blog lazen we over Tera’s vriendschap met Maus. Er komen ook nog oude vrienden van Tera op bezoek als Wicher van der Sleen en vrouw, waarmee ze in 1920 door de Riviera reisde, langs komen. Blijkbaar zijn ze met een reisgezelschap, waar Tera niet zo’n hoge pet van opheeft: Ik had de afgelopen week de familie Sleen op bezoek en wandelde met hen en met hun gezelschap selecte imbecielen door de plantentuin. Hoe je ’t in je hersens krijgt om met zo’n troep op reis te gaan is me een raadsel. De familie Sleen trekt verder naar Oost-Java maar komt in augustus 1931 nog een keer langs nadat ze afscheid hebben genomen van hun reisgezelschap. De vriendschap die Tera destijds voor de tien jaar oudere Wicher voelde is wel wat bekoeld, ze kijkt duidelijk minder tegen hem op: Vrijdag j.l. hield Sleen hier een lezing, ik ben er heen geweest, al had ik er niet veel trek in. Verder was er geen een van de biologen, dat noem ik ‘duidelijk’. Ik geloof dat hij het wel een beetje gemerkt heeft, maar zowel zijn beunhazerij als zijn onbescheidenheid maken hem niet bemind. Het is zo jammer dat hij de capaciteiten, die hij ongetwijfeld bezit, in zo’n onplezierige richting aanwendt.

Wel is ze blij dat hij bereid is alvast wat bagage voor haar mee terug te nemen. Haar terugreis is weliswaar nog niet in kannen en kruiken maar zal toch in het voorjaar van 1932 moeten plaatsvinden: Als Sleen teruggaat, neemt hij vast een kist met boeken voor mij mee, die ik hier niet meer nodig heb. Ik laat nu die onmogelijk grote kisten die Mijer eind 1929 maakte in tweeën zagen. (…) ’t Is erg prettig dat hij het doen wil, hij heeft natuurlijk haast geen bagage en een hele ruimte ongebruikt. En als ik volgend jaar nog via Calcutta reis krijg ik natuurlijk geen vrije ruimbagage rechtstreeks Java-Amsterdam, terwijl het me ook tamelijk overdreven lijkt om eerst alles mee te nemen naar Calcutta en daarna dan naar Holland. Wicher van der Sleen zullen we later nog een keer tegenkomen.

 In 1929 is er een beurskrach op Wallstreet in New York geweest. Het gevolg is een lange economische depressie, eerst in de Verenigde Staten en daarna in Europa. In oktober 1931 worden de gevolgen van de economische malaise ook in Buitenzorg voelbaar.

Tera weet inmiddels wanneer ze teruggaat naar Nederland, dus voor haar eigen baan is ze niet bang, hoewel ze zich afvraagt of ze haar baan in Amsterdam zal terugkrijgen. Wel besluit ze om niet óók nog naar India te gaan, ondanks herhaaldelijk aandringen van Prashad. Ze kan de reis over Calcutta wel betalen, maar door de crisis denkt ze dat ze het geld beter kan meenemen naar Holland. Bovendien heeft ze een brief van haar schoonzuster Ans gekregen, waarin ze wordt aangeraden om niet al te lang weg te blijven, omdat haar vader, inmiddels eenentachtig, blijkbaar achteruit gaat. Tenslotte is de politieke toestand in India verre van stabiel. In 1930 heeft Gandhi zijn beroemde zoutmars gehouden en sindsdien is de spanning tussen de Britten en de Indiase bevolking verder opgelopen. Tera’s vader raadt het dan ook erg af: daar de toestand in Br. Indië hoe langer hoe onrustiger wordt. Hierdoor zou het gevaar kunnen ontstaan, dat ge wel te Calcutta kunt komen, doch slechts met moeite het land weer kunt verlaten, daar dit niet anders kan geschieden dan onder Engelse vlag.

Ze vreest even voor de baan van Maus aangezien hij geen vaste aanstelling heeft: Iedere dag komen er oekazes over verdere bezuinigingen, en ik vrees dat er eerlang ook ambtenaren personeel ontslagen zal worden. Dan is de plantentuin altijd als eerste aan de beurt als zijnde “totaal overbodig”. En ze zijn op de secretarie te dom om te snappen hoe dom dat is! Maar later schrijft ze ook dat Lieftinck veilig is, omdat zijzelf vertrekt en dat Dammerman inmiddels begrepen heeft dat hij voor haar geen vervanging zal krijgen.

Zoals vaak in tijden van bezuinigingen wordt het belang van wetenschap onderschat. Tera is daar boos over maar haar boosheid en verwijten zijn vooral gericht aan haar bazen Docters van Leeuwen en Dammerman: Dat is hard nodig, want de plantentuin staat hier in een slecht blaadje, wat met bazen als Van Leeuwen en Dammerman geen wonder is. Van L. kletst te veel, stoot de mensen voor het hoofd door quasi autoriteit uit te hangen en voert weinig of niets uit. Dammerman maakt veel vijanden door zijn zwijgen, en door mensen altoos af te poeieren of brieven helemaal niet te beantwoorden. Wetenschappelijk lijkt hij me ook geen held en van de wijze waarop een goed museum behoort ingericht te zijn, heeft hij niet het flauwste benul. Ik kan u daar staaltjes van vertellen, waarbij u aan mijn waarheidsliefde zou twijfelen. Onderling hebben Van Leeuwen en Dammerman altijd min of meer ruzie, hetgeen aan de bloei van de tuin ook niet ten goede komt.

In het Nieuws van de dag voor Nederlands Indië verschijnt op 9 november het artikel hiernaast:  Men informeere eens in het Zoölogisch museum te Buitenzorg, waar men het recht tot eigen wetenschappelijk onderzoek monopoliseert. Steeds klagen deze wetenschappelijke instellingen er over dat de staf te klein is, dat er nieuwe krachten bij moeten komen., En als een particulier eenig materiaal wil bewerken — natuurlijk zonder dat dit den Lande iets kost—, dan schrijft de directeur van dat museum : „Wij hebben het recht, de bewerking van het museum-materiaal voor te behouden aan den staf van het museum”. De begrooting van s’ Lands Plantentuin — waarvan het Zoölogisch museum als het ware de zoölogische helft vormt — met zijn groot personeel, in 1929 niet minder dan 84 man — bedroeg toen ruim 5 ton. Als wij ons nu herinneren dat het gaat om zuiver wetenschappelijke arbeid en dat voor de praktijk slechts enkele onderzoekingen worden verricht en: dat de diverse instituten waar toegepaste botanie of zoölogie te pas komt alle bovendien nog hun eigen botanici en zoölogen hebben (als bijv. het instituut voor plantenziekten, waar nog een half dozijn zoölogen werkzaam is) en hun eigen proeftuinen (als cultuur en selectie tuinen), dan ziet men dat hier zeer veel te bezuinigen valt.

En ook als zo vaak komen er polemieken in de krant over het belang van de wetenschap in het algemeen en de Plantentuin in het bijzonder (zoals hierboven duidelijk wordt): De plantentuinwereld is hier erg oproerig door de meer dan schunnige stukken die er in de kranten over de tuin worden geschreven. (Kees) Van Steenis had toen in begrijpelijke verontwaardiging een pleidooi opgesteld (m.i. niet heel handig geschreven en zelfs met enige blunders). Dat later in een tegenartikel volkomen is uitgekleed! Maar op zo’n proletenmanier met de strekking: daar gaan nu onze dure belastingcenten. Het grote publiek zal toch nooit of te nimmer het belang van de tuin snappen, dus ware het maar beter geweest, dat van Steenis gezwegen had, want nu krijgt hij het zeer voor de hand liggende verwijt, dat hij preekt voor eigen parochie.

Het aller lelijkste vind ik echter dat Van Leeuwen, die eerst geen bezwaar had tegen publicatie van Kees’ stuk, dit nu verloochent en zegt, dat hij ’t nooit goed gevonden heeft, omdat het de tuin kwaad doet. Alles met elkaar is het voor Kees niet leuk, hij souffreert aan een volkomen gebrek aan mensenkennis en aan een slechte stijl, terwijl ik ook altijd beweer dat hij nooit grote lijnen kan zien, maar alles detailkunst is. Ook hier blinkt Tera weer niet uit in diplomatieke bewoordingen.

Kees van Steenis (1901-1986) is botanicus en werkt sinds 1927 aan de plantentuin. Na de tweede wereldoorlog zal hij hoogleraar plantkunde worden in Leiden, waar het van Steenisgebouw nog naar hem verwijst.

In de volgende blog lezen we over de laatste dagen van Tera in Indië en haar terugreis naar Nederland.

 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Meer informatie over hoe uw reactiegegevens worden verwerkt.