Drie ontwikkelingen: Weber, Universiteit, Artis

In de jaren voorafgaand aan Tera’s studie spelen drie ontwikkelingen een rol in het wetenschappelijk onderwijs in Amsterdam en hebben daarmee grote invloed op Tera’s leven en werk.

 Max Weber (1852-1937) de zoöloog, niet te verwarren met Max Weber de socioloog, wordt op 5 december 1852 in Bonn geboren. Zijn moeder is Nederlandse. Zijn Duitse vader overlijdt als Max twee jaar oud is. Vrienden en familie nemen zijn opvoeding ter hand. Max studeert medicijnen en Natuurlijk Historie in Berlijn en wordt daar een overtuigd Darwinist en zoöloog, maar doet tevens artsexamen. In 1879 komt Max, die geheel tweetalig is opgevoed, definitief naar Nederland, waar hij bevriend raakt met Coenraad Kerbert  (1849-1927) die ook zoöloog is en lector is in Amsterdam. In 1881 gaat Max mee op poolexpeditie en als hij daarvan terugkomt trouwt hij met de weduwe Anna van Bosse (1852-1942). Over Anna later meer.

Melchior Treub (1851-1910) was een Nederlandse hoogleraar biologie in Leiden. Treub werd in 1880 benoemd tot directeur van ‘s Lands Plantentuin te Buitenzorg (nu Bogor) op Java. In 1890 richtte Treub de Maatschappij ter Bevordering van het Natuurkundig Onderzoek der Nederlandsche Koloniën (Treub-Maatschappij) op en het eerste internationale biologische proefstation ter wereld. Ergens in de jaren 80 leren Max en Melchior elkaar kennen als de laatste wegens ziekteverlof in Nederland verblijft. Hij lijdt aan malaria.

Bemanning Siboga met in het midden Anna Weber- van Bosse, links van haar Max Weber 1899

Vanaf 1896 lobbyt Max Weber bij Treub voor een drijvend onderzoeksschip in Zuid Oost Azië. In 1899 gaat het echtpaar Weber samen met zes andere wetenschappers, tien Nederlandse marineofficieren en 45 voornamelijk Javaanse matrozen op expeditie. De expeditie wordt gefinancierd door de Treub maatschappij en het schip de Siboga wordt ter beschikking gesteld door de Nederlandse regering. Dit marineschip is omgebouwd tot onderzoekschip en de expeditie moet de Indische archipel verder in kaart brengen. Ze varen ruim een jaar, het is de eerste Nederlandse wetenschappelijke marine expeditie waar een vrouw aan meedoet, waardoor de kapitein zijn kajuit afstaat, zoals het een heer betaamt. Anna Weber schrijft er een boeiend verslag over: “Een jaar aan boord van de Siboga”. Ze komen terug met een zeer rijke buit aan biologisch materiaal. Daarmee kunnen zijzelf en anderen jaren vooruit. Sinds 1895 woont het echtpaar Weber op landgoed Eerbeek waar ze in hun eigen laboratorium de vondsten uit de Siboga expeditie in kaart brengen. Dit landgoed komt later nog uitgebreid aan bod.

Het Atheneum Illustre werd opgericht in 1632 als Casparus Barleaus en Gerardus Vossius hun inaugurale redes houden. In 1877 werd het Atheneum Illustre omgevormd tot de Gemeentelijke Universiteit, de latere Universiteit van Amsterdam, en verkreeg het promotierecht en werden er nieuwe leerstoelen ingesteld. Hoogleraren werden benoemd door het gemeentebestuur en de burgemeester was tot 1961 voorzitter van het universiteitsbestuur. Max Weber wordt in 1883 op 31 jarige leeftijd aangesteld als de eerste Amsterdamse hoogleraar in de zoölogie.

In de blog over de kunst van het verzamelen zagen we de opkomst van musea zoals the British Museum en het Louvre. We zagen ook dat rariteitenkabinetten op gingen in musea.

De oprichting van het zoölogisch genootschap Natura Artis Magistra (de natuur als leermeester van de kunst) in 1838 past precies in die traditie. Dit keurige genootschap had als doel om de gegoede burgerij kennis te laten nemen van het dierenrijk door lezingen en demonstraties. Artis zal natuurlijk later uitgroeien tot een echte dierentuin, maar bij de oprichting is de tuin niet zomaar toegankelijk. Alleen leden van het genootschap kunnen de tuin in, in de maand september mogen ze hun gasten meenemen. De collectie dieren bestaat eerst uit slechts wat apen en papagaaien, maar wordt al snel uitgebreid doordat het genootschap de collectie van een kermisexploitant kan kopen. Artis groeit snel en beslaat in 1877 al 10 hectare.

Aanvankelijk was de steeds groeiende verzameling van zogenoemde “naturalia” – op sterk water gezette specimina, skeletten, opgezette dieren, schelpen, fossielen en gesteenten – zeker zo belangrijk als de tuin. Deze museumcollectie verhuisde in 1855 naar het door Johannes van Maurik ontworpen ‘Groote’ Museum aan de Plantage Middenlaan dat prompt ook te klein werd waarna in 1882 Artis het Aquariumgebouw aan de Plantage Middenlaan 53 opent, nu een Rijksmonument.

In dit gebouw zijn speciaal voor de Gemeente Universiteit gereserveerde ruimten ingericht: hoogleraarkamers, een collegezaal en een museumruimte. Kerbert wordt aangesteld als hoofdconservator van het aquarium.

Als in 1890 Kerbert directeur van Artis wordt regelt hij dat in 1892 de collecties van Artis worden samengevoegd met die van de universiteit en onder beheer van de universiteit gesteld worden. De gehele collectie wordt ondergebracht in het aquariumgebouw. Daarmee is het Zoölogisch Museum Amsterdam een feit. Er wordt bedongen dat de hoogleraar zoölogie van de universiteit per definitie ook de directeur van het Zoölogisch Museum wordt. Coenraad Kerbert en Max Weber drukken zo duidelijk hun stempel op het wetenschappelijk natuurhistorisch onderwijs in Amsterdam.

Het Zoölogisch Museum legde zich toe op puur wetenschappelijke collecties, waarbij de nadruk lag op het vinden, beschrijven, benoemen en indelen van objecten, zoals (delen van) zoogdieren, insecten en ongewervelde dieren. Weber zelf voegde belangrijk wetenschappelijk materiaal aan de collecties toe, deels van zijn reizen naar Zuid-Afrika en het Noordpoolgebied, maar vooral ook van de Siboga-expeditie naar Indonesië. Het Zoölogisch Museum is zelden een echt museum geweest. Ondanks dat het altijd de bedoeling was om een volwaardig natuurhistorisch museum te openen, waren de middelen van het gemeentebestuur nooit echt toereikend. In het zeer leesbare boek “Wie wat bewaart” van Menno Schilthuizen en Freek Vonk wordt verder ingegaan op de geschiedenis van Natuurhistorie in Nederland.

Tera maakt in juli 1919 als aankomend studente kennis met Max Weber en schrijft dan in haar dagboek dat Weber bij een bijeenkomst van de Dierkundige vereniging was.

Op 23 maart 1920 gaat Tera op audiëntie bij Weber, zoals ze dat zelf in haar dagboek schrijft: Weber heeft een plannetje. Maar daarover een volgende keer meer.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Meer informatie over hoe uw reactiegegevens worden verwerkt.