Skeletten afstoffen

Vorige week eindigden we met “Weber heeft een plannetje” Tera schrijft op 23 maart 1920: Op audiëntie bij Weber. Vond Theems mollusken erg aardig, deed enkele nieuwe gegevens aan de hand. Leuk plannetje heeft hij vertrouwelijk opgesteld, heb wel zin in. Wil uit Riviera heel wat reptielen en salamandrines hebben. O professor die kan ik dan mooi levend houden in mijn plantenbus. Nee, de bedoeling is geconserveerd, daar hebben we hier veel meer aan. That’s Kras! Typische systematiker.

Mollusken of weekdieren (Mollusca) vormen een stam van ongewervelde dieren met een week lichaam en in de regel een uitwendig kalkskelet (schelp). Weekdieren kennen een grote verscheidenheid aan vormen en zijn onderverdeeld in verschillende klassen, waarvan de bekendste de slakken (Gastropoda), de tweekleppigen (Bivalvia), zoals mosselen en oesters en de inktvissen (Cephalopoda) zijn.

In 1919 was Tera al lid geworden van het mollusken Comité. Het mollusken Comité (of MC) was opgericht in 1915 door o.a. Wicher van der Sleen. De belangrijkste taak van het MC bestond uit het verzamelen en in een kaartsysteem vastleggen van de (verspreidings-) gegevens betreffende in Nederland voorkomende weekdieren. Daarbij ging het zowel om de in zee levende soorten, als om landslakken en zoet- en brakwatermollusken (citaat: Corresp.-blad Ned. Malac. Ver.. No. 296 (mei 1997)

Op 12 april 1919 schrijft Tera in haar dagboek: Fijn opgeschoten met de schelpenrommel van ’t comité.

Het plannetje van Weber is tweeledig. Hij wil dat Tera (student)assistent wordt aan het Zoölogisch Museum en dat zij daar gaat werken aan de molluskencollectie van Schepman, die hij voor het museum wil aanschaffen.

Mattheus Marinus Schepman(1847-1919) was een Nederlandse amateur malacoloog en verzamelaar van o.a. land en zoetwatermollusken. Het grootste deel van zijn leven woont hij in Rhoon waar hij opzichter is op het landgoed Rhoon. In 1909 verhuist hij naar Villa Dennenhof in Bosch en Duin. Schepman is autodidact, maar zijn kennis wordt door velen zeer gewaardeerd. Schepman is o.a. nauw betrokken bij de dierkundige vereniging en het molluskencomité. Hij koopt o.a. exemplaren uit de nalatenschap van Florentine Rethaan Macaré die we al eerder tegenkwamen. Bovendien had Weber na de Siboga expeditie aan Schepman gevraagd om de verzamelde malacologische specimens te determineren en te beschrijven. In ruil daarvoor kon hij enkele exemplaren houden. Tussen 1908 en 1913 publiceerde Schepman uitgebreid over Gastropoden (eenkleppige slakken) en beschreef hij ruim vijfentwintighonderd exemplaren. Na de dood van Schepman in 1919 biedt zijn vrouw de collectie te koop aan, aan het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie in Leiden. De prijs voor de ruim vijfentachtighonderd specimens die het museum wil neertellen, wordt echter te laag gevonden en op 10 juni 1920 vindt er een veiling plaats in Utrecht van de hele collectie, inclusief twee kasten om de specimens in op te slaan (bron: Matheus Schepman een biografie (van der Bijl, Molenbeek NMV, 2010).

Tekeningen van Schepman van mollusken uit de Siboga expeditie

Beide plannetjes lukken. Op 28 juni 1920 schrijft Tera in haar dagboek dat ze samen met Weber en de Beaufort schelpen gaat inpakken in Bosch en Duin, de residentie van de familie Schepman. Weber heeft ruim zesduizend gulden voor de collectie betaald. De Universiteit van Amsterdam heeft daarbij geholpen. En op 15 september 1920 staat er in haar dagboek: Aanstelling bij Weber gekregen!

Andere studenten begrijpen niet wat ze te zoeken heeft  op het Zoölogisch Museum, en als haar daar naar gevraagd wordt zegt ze gekscherend “skeletten afstoffen”, omdat ze het volgens har toch niet zullen begrijpen.

Het museum in 1920 heeft geen elektrisch licht, geen centrale verwarming en geen telefoon. De formatie bestaat uit één directeur, twee assistenten en één suppoost. Bij haar veertigjarig jubileum memoreert Tera: De dag, dat ik in dienst kwam was er zowat niemand in het museum. Geen professor Weber, geen juffrouw de Rooij. De enige die in de directiekamer aan een puntje van de tafel zat te werken was, Dr. De Beaufort, toenmaals honorair conservator. De hele lange tafel van de directeurskamer lag of stond vol met boeken, paperassen en flessen, maar op een hoekje zo groot als een postzegel zat de heer De Beaufort te werken.

Dr. Lieven De Beaufort (1879-1968) heeft biologie gestudeerd in Amsterdam. In 1903 heeft hij deelgenomen aan een expeditie naar Nieuw Guinea en is daarna in 1908 gepromoveerd bij Professor Weber. In 1920 is hij de assistent van Weber in het zoölogisch museum. Hij is getrouwd en heeft drie kinderen, Nella, Charlie en Hans. In 1922 overlijdt zijn vrouw. Tera is begaan met de familie de Beaufort. Ze kent de kinderen, in later jaren zal ze er wel eens logeren. Als Tera later naar Indië gaat is de dochter van de Beaufort, Nella, geboren in 1908, daar ook. Tera maakt haar wegwijs.

Op de foto vlnr: Tera, Nelly de Rooij en Lieven de Beaufort. Man links onbekend. Vooraan zittend Max Weber 

Weber en de Beaufort kunnen beschouwd worden als de belangrijkste leermeesters van Tera. De Beaufort wordt in Tera’s dagboeken vaak vriendelijk “Baasje” of zelfs “klein Baasje” genoemd. Weliswaar is Weber officieel de baas, maar aangezien Weber vaak in Eerbeek zit, heeft de Beaufort feitelijk de dagelijkse leiding op het museum. In haar afscheidsrede ruim veertig jaar later zegt ze: Professor de Beaufort is voor mij altijd een voorbeeld geweest van een hoogstaand mens met een groot plichtsgevoel en een onuitblusbare liefde voor zijn werk.

Volgende keer gaan we verder met nog meer plannen

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Meer informatie over hoe uw reactiegegevens worden verwerkt.