Florentine Rethaan Macaré

Deze site heet “Schelpen en Vrouwen”. De belangrijkste vrouw op deze site is en zal blijven Tera van Benthem Jutting. Ze was echter niet de eerste en ook niet de enige vrouw die zich, min of meer professioneel met het verzamelen van schelpen bezighield. Éen van mijn lezers attendeerde mij op een artikel van Marianne Gossije dat in september 2020 verscheen in Zeeland, het blad van het Zeeuws Genootschap van Wetenschappen over één van haar illustere voorgangsters:

Florentine Ontijd.

Florentine is de dochter van een Haagse arts. Ze trouwt op haar 27ste met de twintig jaar oudere Cornelis Rethaan Macaré die in 1844 in de adelstand wordt verheven. Van 1840 tot 1855 woont het echtpaar in Middelburg waar hij wethouder en lid van provinciale staten is. Hij is daar tevens lid van het Zeeuws Genootschap der Wetenschappen. En hoewel vrouwen pas in 1888 lid mochten worden van het Genootschap bemoeide Florentine zich nadrukkelijk met de schelpencollectie.

Al op haar twaalfde had ze een zeldzame schelp (Tonna Tesselata Lamarck) cadeau gekregen en ze was sindsdien een verwoed verzamelaarster van schelpen. In de woorden van haar man: “Enige tijd geleden de verzameling van Hoorns en Schelpen overziende te samen met mijn echtgenote voor wie de conchiologie altijd veel aantrekkelijks heeft gehad….

In Middelburg krijgt ze binnen zeven jaar zes kinderen, waarvan er één binnen een week sterft en er één levenloos wordt geboren. Dit belet haar niet om allerlei andere zaken aan te pakken, ze had natuurlijk wel kindermeisjes en ander personeel om haar huishouden te regelen. Naast schelpen verzamelen hield mevrouw zich niet onverdienstelijk bezig met het maken van aquarellen van vogels en bloemen en haar werk werd tentoongesteld op de Tentoonstelling van Levende Meesters in de Haagse Tekenacademie in 1845.

Ook bezoekt ze de wereldtentoonstellingen van 1851 in Londen en 1855 in Parijs. Van het eerste bezoek schreef ze een reisverslag dat in 1852 werd uitgegeven. Ze bezocht alle belangrijke toeristische attracties en beschrijft met de nodige humor het Victoriaanse Londen. In 1855 verhuist het gezin naar Utrecht. Cornelis overlijdt daar in 1861. Florentine blijft als zijn weduwe in Utrecht wonen tot aan haar dood in 1887.

In 2017 verschijnt er een blog op de site van de Koninklijke Bibliotheek over het album amicorum oftewel vriendenboek, een losbladig poëziealbum, van Florentine waarin ze vanaf haar twaalfde gedichten van familie en vrienden verzamelt. Het geeft een duidelijk beeld van een dame die midden in het culturele leven van die dagen staat. Er zijn zowel getekende als geschreven bijdragen van kunstenaars en schrijvers uit die tijd. Voor haar bruiloft schrijft de dichter Adriaan Bogaers:

De Bruid

‘t Is lieflijk voor ’t oog op de velden te staren,

Als ’t eerste gebloemte der Lente ze tooit,

Verkwiklijk den blik langs het meer te doen waren,

Wen’t vloeijend azuur voor ’t koeltje zich plooit:

’t Is schoon als het West zich verguldt met de stralen

Der zomersche zon, die haar dagreis besluit;

Maar ’t schoonste van alles, waar de Aard mêe mag pralen,

Een bruid is ‘t, een lieve, bevallige Bruid.

In wetenschappelijke kring wordt Florentine bekend door haar collectie exotische schelpen. Dolf van Bruggen beschrijft Florentine in een artikel over haar correspondentie met het museum voor Natuurlijke Historie in Leiden als één van de beroemdste schelpenverzamelaars van haar tijd, maar zet haar ook mooi neer als: “slightly pompous, very blue-blooded although not a lady in her own right, and prone to gossip”.

Er worden aanvankelijk zelfs twee schelpen naar haar vernoemd. Uiteindelijk blijkt één van die schelpen, de Conus Macarae Bernardi (zie hiernaast) naar haar vernoemd in 1853, tien jaar eerder al een andere naam te hebben gekregen, dat gebeurt vaak, maar het blijft een eer. In één van haar brieven aan het museum in Leiden wordt ook verwezen naar deze schelp, en schrijft ze dat ze deze nieuwigheid nog niet had verworven.

Echter uit de verkoopcatalogus van haar collectie (1888) blijkt dat ze er later in slaagde twee exemplaren aan te schaffen. In een andere brief schrijft ze trots dat ze een kleinzoon heeft gekregen, nadat ze al vijf kleindochters had.

In 1955 verschijnt in de PZC (Provinciaals Zeeuwse Courant) het bericht dat: “Jhr. Calkoen aan de gemeente Amsterdam ten behoeve van haar Zoölogisch Museum een belangrijke collectie exotische schelpen ten geschenke heeft aangeboden, die zowel wetenschappelijk als historische betekenis heeft, speciaal ook, omdat de verzameling destijds deel uitmaakte van de collectie, verzameld door wijlen mevrouw Rethaan Macaré-Ontijd, van welke een gedeelte reeds eigendom van het museum is”.

Deze Jhr. Calkoen is hoogstwaarschijnlijk een kleinzoon van Florentine aangezien haar dochter met een Jhr. Calkoen trouwde.

Het gedeelte dat dan al in het bezit is van het museum komt uit een ander deel van de nalatenschap van mevrouw. Na zestig jaar verzamelen wordt een groot deel van haar collectie in 1888 geveild. Haar zoon schrijft in de verkoopcatalogus het volgende over deze collectie: Deze collectie groeide van jaar tot jaar, vooral dankzij exemplaren die goede vrienden in Indië en enkele officieren van de Koninklijke Marine haar van tijd tot tijd stuurden en die de collectie niet alleen verrijkten met hoeveelheden zeldzame en kostbare schelpen en zeer mooie exemplaren, maar die het ook mogelijk maakten om vaak duplicaten uit te wisselen tegen andere schelpen.

De belangrijkste kopers van de collectie zijn Natura Artis Magistra, die ook een ladekast koopt waarin Florentine haar schelpen bewaarde, en Mattheus Schepman, een belangrijke verzamelaar op dat moment.

De collectie van deze laatste koper zal een belangrijke rol spelen in Tera’s ontwikkeling, maar daarover een volgende keer meer.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Meer informatie over hoe uw reactiegegevens worden verwerkt.